steeds andere glazen schoof om mijn gezichtsscherpte vast te stellen.
'Mag ik nog enkele gegevens van u?'
Hij ging achter zijn bureau zitten en vroeg, klaar om op te schrijven: 'Waren er besmettelijke ziekten in uw familie?'
'Een zusje is gestorven aan tbc. Al lang geleden, dokter.'
'Leeft de familie verder nog?'
'Nee,' antwoordde ik kortaf.
'Waaraan zijn ze overleden?'
'Aan de oorlog, dokter,' zei ik zacht.
'Neem me niet kwalijk, u ziet er niet joods uit. Ik moest het ergens voor weten. In elk geval lijkt me een gezichtsveldonderzoek gewenst. Wilt u naar de andere kamer gaan?'
'Op het doek dat u door het glaasje ziet projecteer ik een rode stip, die ik in alle richtingen laat bewegen,' zei de assistente. 'Zeg maar: links boven, rechts onder, enzovoorts, en als u de stip minder duidelijk ziet moet u me dit ook vertellen. Of als u meent dat hij er niet meer is, of van kleur verandert.'
Het scheen alsof een dansende ster aan een donkere hemel verscheen, als in een observatorium, die ik krampachtig volgde om nauwkeurig te vertellen wat ik waarnam. Nu werd de ster lichter, het rood kreeg een geelachtige kleur. Waarom moest de dokter het vragen, van mijn familie? Een waas vormde zich voor mijn ogen, en mijn blik richtte zich naar binnen.
Daar zag ik vader, grijs, zorgelijk, toen hij zich op het Muiderpoortstation nog even omwendde en mij gedag wuifde voordat hij in de trein stapte, die laatste keer.
'U moet antwoord geven,' herhaalde de assistente, 'ziet u die vlek nog?', en op hetzelfde ogenblik zag ik de staarvlek-ken in de ogen van moeder.
'Hoort u niet wat ik vraag?'
169