GEZICHTSVELDONDERZOEK
De vrede was nog geen maand oud, of ik had dringend een nieuwe bril nodig en ging naar mijn huisarts om een verwijs-formulier voor de oogarts te vragen.
'Je ogen controleren? Dat kan ik net zo goed,' antwoordde hij, 'ga daar maar staan.'
Aan de muur van zijn behandelkamer hing het kartonnen bord met letters in verschillende grootte, en hij vroeg: 'Wat staat hier?'
'Een N, dokter.'
'En daar, een regel lager?'
'Een L.'
'Deze letter dan?'
Zijn hand zakte steeds en, al gissend, wist ik nog het antwoord.
'Je hoeft helemaal geen bril,' zei hij beslist.
'Volgens de oogarts ben ik astigmatisch. Hij vertelde me dat ik altijd een bril zal moeten dragen.'
De dokter zweeg. Hij nam van een pakje een doktersbriefje, schreef er iets op, schoof het in een envelop, likte eraan, plakte hem dicht en pende de naam van de oogarts neer.
Zwijgzaam, geheel geconcentreerd verrichtte de oogarts, een forse man die zijn witte jas met ongemak droeg, het onderzoek. Hij scheen met een spiegel in elk van mijn ogen terwijl ik rechtuit moest blijven kijken en dicteerde aan zijn assistente: 'Geen pigmentvlekken.' Verder verstond ik iets van 'papillen' of 'pupillen', 'heldere cornea' en luisterde niet meer.
'Gaat u daar staan.'
Hij hield een soort verzamelbril voor mijn ogen waarin hij
168