de sporen van de schoenmakerij van Barend Santen poogde uit te wissen.
Zo gemakkelijk kwam hij echter niet van me af. De oorlog was nog geen week voorbij, of een goede vriend van me meldde zich met de akte in 'zijn' winkel. Hij liet een penning zien, of wat het dan ook was, vertelde dat hij van de recherche kwam en joeg Lodenburg dusdanig de stuipen op het lijf dat hij wekenlang daarna de deur gesloten hield. En daar liet ik het niet bij, al gaf ik spoedig alle verdere moeite op. Wat had het nog voor zin opnieuw een gevecht te leveren? Vader, moeder en Maurits kwamen nooit meer uit Polen terug, en wat deed het stinkeltje er dan nog toe?
Wat ervan voortleeft is de herinnering, een foto, een schaarse oude klant die 'dag schoes' tegen me zegt als hij me toevallig op de Albert Cuypmarkt tegenkomt.
En voor de rest?
Een schoenmakersleest, een ijzeren driepoot, dat is alles.
167