honderd gulden?'
Ik aarzelde met antwoorden. Voor Lodenburg betekende de akte niet veel meer dan een vodje papier, een hulpmiddel om de schoenmakerij in handen te krijgen. Ongetwijfeld ging hij ervan uit dat de nazi's de oorlog zouden winnen en naar zijn mening kon hij zonder enig risico zijn handtekening onder de akte plaatsen. Zolang er van een werkelijke dreiging voor hem geen sprake was, leek het onwaarschijnlijk dat hij iets tegen me zou ondernemen, want het zou zich onherroepelijk ook tegen hemzelf richten, zoveel snapte hij er wel van. Onder de gegeven omstandigheden evenwel een dwangsom bedingen betekende een enorm risico, als de valse hond die hij was gevaar rook zou hij onmiddellijk gaan bijten.
'Geen dwangsom,' antwoordde ik de deurwaarder, 'als we na de oorlog een proces moeten beginnen verliest hij het toch, dan zal het wat langer duren voordat de schoenmakerij weer eigendom wordt.'
Het stinkeltje was nog geen twee weken formeel in het bezit van Lodenburg toen hij de huur opzegde, de zaak ontruimde en met onbekende bestemming verdween. Dat dacht hij althans, want al spoedig kwam een vroegere klant van vader bij ons thuis om te vertellen dat hij in het nieuwe Zuid een nieuwe schoenmakerij had ontdekt, dat hij in de etalage had staan kijken en toen de Schalkhaarse zoon van Lodenburg de winkel had zien binnengaan. Nieuwsgierig geworden was ook hij naar binnen gestapt, om te ontdekken dat Lodenburg zelf achter de toonbank stond.
We twijfelden er niet aan of het was allemaal zo bekokstoofd met de Verwalter, die een straat verderop woonde.
Zijn zaak werd als geheel nieuwe schoenmakerij ingeschreven, bij de Kamer van Koophandel en bij al die andere instanties die toestemming moesten verlenen, waarmee hij
66