'Dan spijt het me voor u, maar ik ben de Verwalter en heb opdracht de schoenmakerij te liquideren. Ik begrijp dat het moeilijk voor u is, ik heb zelf een schoenmakerij aan de Am-stellaan, zulke dingen vallen niet mee, maar wat moet moet nou eenmaal.'
Het lag me op de lippen te zeggen dat niemand hém daartoe had verplicht, doch het was verstandiger om daarover te zwijgen.
'Ich weiche nur der Gewalt,' zei ik laconiek, 'en zover is het kennelijk gekomen.'
De man had dit antwoord niet verwacht, sloot zijn ogen, zei toen zonder overgang: 'U moet niet denken dat ik de duivel in eigen persoon ben. Misschien valt er wel wat te matsen.'
Te matsen, wat viel er nu nog te matsen, en waarom gebruikte die kerel een dergelijke uitdrukking? Daar had hij, als knecht van de nazi's, het recht zelfs niet toe. Het zonder meer afwijzen zou evenwel een stommiteit zijn, je wist nooit waar het goed voor was.
'Hoezo?' vroeg ik.
'U zou bijvoorbeeld de zaak kunnen overdoen aan Lodenburg, die bij u in dienst is.' Bij de laatste woorden knikte hij naar mijn noodhulp, die doodstil had meegluisterd.
'En als ik daar niet bereid toe ben? Het is tenslotte de zaak van mijn vader. Met welk recht kan ik zijn eigendom verkopen?'
'Dan wordt de boel zonder meer geliquideerd en bent u nog verder van huis. Heeft uw vader daar misschien iets aan? Nu kunt u wellicht een regeling treffen waarvan u beiden voordeel hebt. Lodenburg wordt eigenaar, en daar zal hij wel wat voor over hebben. Niet waar?'
Onmiddellijk sprong deze van zijn stoel op en kwam naar de toonbank toe.
'Ja meneer, natuurlijk meneer,' beaamde hij.
164