meer in geïnteresseerd, en bij de niet-joodse mocht ik er niet eens mee komen. De veters stuk voor stuk aan klanten verkopen, dat duurde tienduizend jaar. Er moest leer worden gekocht, en nu zat het geld in die rotveters. Als ik niet uitkeek ging de zaak nog failliet.
Het was een wonder dat ik ze gauw kwijtraakte, de hele massematte in één keer. Zonder een cent winst, zonder een halve cent verlies. Aan een marktkoopman uit de Albert Cuypstraat, een ouwe klant van vader.
Opgelucht haalde ik weer adem, een ogenblikje tenminste, want straks kwam die Schalkhaarder weer in de winkel, terwijl ik me doodschaamde tegenover de klanten, de zoon van Lodenburg, die bij mij in de schoenmakerij werkte.
De dreiging hing mij al zo lang boven het hoofd dat ik me begon af te vragen of er wellicht een vergissing in het spel was, of de bezetters over het hoofd hadden gezien dat vaders winkel een Joodsche zaak was, of er soms een administratieve fout was begaan waardoor het stinkeltje zou worden gespaard.
'Waar kan ik u mee van dienst zijn?' vroeg ik aan de glimlachende magere man, die zwijgend had staan luisteren naar een klant, totdat deze was vertrokken. Hij gaf me een hand, iets wat je van klanten niet verwacht, opende zijn aktentas en haalde er een papier uit te voorschijn.
'Dit is de zaak van Barend Santen, niet waar?'
'Jazeker.'
'Geboren 4 juli 1887. Zo oud bent u nog niet, neem ik aan...'
'Het is mijn vader. Die is er niet meer.'
'Maar de schoenmakerij behoort toch van hem, als ik het hier goed lees.'
Ik knikte.
De man scheen na te denken over wat hij zou zeggen.
163