paalde bezittingen uit de schoenmakerij veilig had gesteld, een plaat leer, en zelfs de penmachine had verkocht.
De handelsreiziger kwam al jaren in de winkel, en meestal had hij een of ander bezolletje. Hij praatte vaak met mij over vader en Maurits, die hij graag mocht, beste mensen zijn het, herhaalde hij elke keer, het is een schande wat ze met de joden uithalen. Er was geen twijfel aan dat hij me wilde helpen. Wat moest ik evenwel met een zo geweldige partij veters beginnen? Het was niet duur, dat was waar. Spotgoedkoop zelfs. 'Daar kan je nooit een strop aan hebben,' verzekerde hij. 'Nee, een deel van de partij verkoop ik niet, alles of niets. Daar heb ik mijn reden voor. Heus waar, er is niets mee aan de hand, daar is het niet om, ik zal je geen onnodig risico laten lopen. Dat zou een rotstreek zijn. Nee, de hele bliksemse boel of noppes, een van tweeën.'
Nog steeds aarzelde ik. Al het handelsgeld ging erin, het geld van vader. Stel je voor dat het een strop werd, wat dan? Nee zeggen? Tegen zo'n buitenkansje?
Toen eenmaal de koop was gesloten, maakte een nooit eerder gekende spanning zich van me meester, alsof ik een meisje om haar hand moest vragen, zo erg was het, ik trilde ervan.
Als het even wilde kwam er een hoop geld binnen, dat ik allemaal voor vader zou bewaren. Goed beschouwd was ik een veel betere zakenman dan hij ooit was geweest. Dat had ik al zo dikwijls tegen Bep gezegd: 'Mijn vader? Alles had hij kunnen worden, een minister desnoods, of een burgemeester, een dokter of een rechter, maar zakenman, daar deugt hij niet voor.'
Toen de pakken veters werden bezorgd en een groot deel van de ruimte in beslag namen, brak het angstzweet mij uit. Aan wie moest ik dat allemaal verkopen? Ermee op stap gaan was een dwaasheid. Joodse schoenmakers waren er niet
162