DE STROHALM
Het mannetje, dat als thuiswerker schoenen repareerde, was al eerder in de winkel geweest, voor een paar gummihakken, een stukje leer en wat er nog bijkomt. Het typische was dat hij vader niet kende, ofschoon hij om de hoek in de Quellijn-straat woonde, zodat hij pas klant was sinds ik alleen in het stinkeltje stond.
In het stinkeltje? Na alles wat zich had afgespeeld? Inderdaad. Het was de tijd niet meer om nog langer boos te zijn uit gekwetste eigenliefde. Vader had mij nodig, want Mau-rits was als werkmeester vertrokken naar het Apeldoorn-sche Bosch, een harde noodzaak om een stempel op zijn persoonsbewijs te krijgen dat hem — althans voorlopig — beschermde tegen deportatie naar Polen. En ook voor mij was het een redding, nadat ik door de hulp van goede mensen uit een joods werkkamp was gekomen. Nu kon ik er niet meer mee volstaan te klungelen en leerde met blaren op mijn handen, een blauwe nagel, de tong uit mijn mond het schoenmakersvak. Zo goed en zo kwaad als het ging. Dit was de stand van zaken totdat vader werd opgeroepen voor een joods werkkamp in Drente, en ik de hele schoenmakerij op mijn schouders kreeg. En het niet al te slecht deed, vader zond mij zelfs een compliment in een van zijn laatste brieven.
Helemaal verdiend was het niet, want Gerard, een vriend van vrienden en een vakman van het zuiverste water, was mij komen helpen, en bij alles wat hij aan wonderen verrichtte was er voor mij geen grote kunst aan. Helaas werd hij al gauw opgeroepen voor de Arbeitseinsatz, en nu stond ik er werkelijk alleen voor.
'Is uw knecht er niet meer?' vroeg het mannetje voor mij onderdanig.
Hij herinnerde me aan een vroegere wiskundeleraar, even
157