de hengel waarmee je de bagger in een vierkant emmertje omhoog trok. En afgunstig op iedereen, op schooljongens die in een zeilbootje voorbij gleden, op een hengelaar aan de kant. Gek zoals een mens verandert. Een geluk dat de controledokter me had overgeplaatst naar lichter werk: een zandafgraving, het oer uit de grond hakken, kruien.
Hoe laat? Een uur onderweg? De opzichter keek wel wat door de vingers, al moest hij oppassen voor de hoofdopzichter.
Wat rook het gebrand. Ik snoof nog eens en zag links en rechts van de weg verschroeide struiken, verkoolde hei, veraste grasstroken. Vonken uit een locomotief hadden een bosbrandje veroorzaakt. Verderop herhaalde zich het beeld. Mijn schaduw, lang gerekt door de ochtendzon, viel over de spoorrails. In de verte kwam er alweer een trein aan, joeg voorbij en maakte een zuchtend geluid als een mens in nood. Zijn wielen vermorzelden mijn schaduwbeeld en even werd ik angstig, vroeg me af of het een slecht voorteken was.
Het leggen van de rails was evengoed een precies werkje geweest. Twee kaarsrechte lijnen naast elkaar, zonder de geringste afwijking. Dat bereikten ze natuurlijk door de gelijke lengte van alle bielzen. Hoe lang zou een railstaaf zijn? Op een foto had ik eens gezien hoe ze roodgloeiend uit de smeltoven werden getrokken. Waar zat de las tussen twee spoorstaven? Je kon hen nauwelijks ontwaren, zo glad waren ze gewalst door de zwaarte van de treinen. Het gedender dat je in de trein hoorde gaf natuurlijk de afstand tussen twee staven aan. Eens tellen. Vijftig bielzen lagen er tussen twee rails in. Daarginds kwam een spoorwegarbeider aan fietsen. Gauw links van de baan lopen, de stukkenzak met kolen achter een bosje laten vallen. Als hij zou vragen wat ik hier deed zou ik zeggen dat dit de kortste weg was naar mijn werk, dat ik de trein had gemist, dat het me anders geld ging kosten. De man groette vriendelijk en fietste door. Stel
154