langs mijn lichaam. Die steen midden op de spoorlijn? Hij was iets lichter dan de andere; je kon nooit weten. Een zwerfsteen was het, teleurgesteld smeet ik hem aan de kant. Toen, op geen honderd meter afstand, naderde een locomotief. Springen, niet struikelen. Als je nu eens verlamd bent juist omdat het gevaar nadert, net als in een droom? Een grote sprong. Ik tuimelde in het grind aan de kant van de weg, terwijl de trein voorbij denderde en de stoker zijn vuist naar mij uitstak. Kniebuigingen maken, dan gaat de pijn weg. Geen tranen in je ogen, klootzak. Wel beter opletten voortaan. Hoe vaak had niet in de krant gestaan dat mensen op een onbewaakte overweg door de trein waren gegrepen, en altijd had ik me afgevraagd hoe iemand zo dom kon zijn. En nu was het me zelf bijna overkomen...
Voor mij uit liepen de rails langzaam toe in een punt, tot het einde ervan in de mistige lucht verdween. Als je je omdraaide gebeurde hetzelfde. Met ogen van voren en van achteren zou je twee punten zien als van een uitgerekt nogablok.
Voortmaken jongen, anders krijg je straks gedonder. Haastig sprong ik van biels op biels. Vijf kilometer zoeken, je werd er tureluurs van. Het scheen alsof je overal stukken steenkool zag liggen: een schaduw, teerafval, zelfs een drol lag er, gelukkig had ik bijtijds mijn hand teruggetrokken. Op niets anders lette je meer, zoals vroeger toen we als kinderen klevers zochten. Kijk toch uit, voor je staat het licht op groen. Betekende het dat er weer een trein zou komen, dat het spoor veilig was? Verstandiger was het in elk geval nu aan de kant van de spoorbaan te gaan lopen, langs het grindweggetje. Langzaam ging het wel. Als je veel te laat kwam hielden ze het van je loon af, daar waren ze niet mis in, en achttien gulden per week was toch al niet veel. Toen ik eerst moest baggeren was het nog geen vijftien gulden omdat ik het maar niet kon leren. Een kapotte schouder van
153