Duitse offensief voor Moskou. 'Kannste verstehn,' zei de een, 'wenn es London gewesen wäre hätten wir es schon längst genommen. Aber Moskau, scheisse...'
Amersfoort, overstappen, een half uur wachten op het treintje naar Hoogland. In die tijd kon je het bijna lopen. Vijf kilometer langs de spoorbaan, een uur, maar als je voortmaakte, je van de ene biels op de andere voortrepte lukte het misschien in drie kwartier, bovendien hoefde je dan niet van het stationnetje Hoogland naar het werk te lopen. Onderweg kon ik naar kolen zoeken die van de tender waren gevallen en langs de rails lagen verspreid. Zo vaak had ik ze zien liggen, nu was mijn kans schoon. Mijn stuk-kenzakje was royaal van omvang, omdat er altijd een meevallertje kon zijn buiten bij de boeren, een pond erwten, wat meel, een brood, met passen en meten konden er ook kolen in, Bep had het op de groei gemaakt alsof het een kinderkledingstuk was. Een vliegende vogel vindt overal wat.
Op het grindweggetje naar de spoorlijn stond een waarschuwingsbord. Het had de vorm van een huis: een vierkant met een Napoleonsteek erop. In het hart ervan was een grote S geschilderd. Betekende het verboden toegang? Om me heen kijkend of niemand me waarnam liep ik ernaar toe en las: 'Let op andere rangeerbewegingen.' Als ze me aanhielden zou ik zeggen er niet uit te hebben begrepen dat je er niet mocht lopen. Toch moest je uitkijken. Je kon nooit weten wie je aanhield. Iemand van de spoorwegen zou me wel geloven; stel je voor dat het Grüne Polizei was die controleerde, bewijs dan eens dat je naar je werk gaat.
Nog geen halve kilometer had ik afgelegd of er lagen vier flinke brokken antraciet in mijn stukkenzakje, de punten ervan waren door het katoen heen voelbaar en schuurden
152