DE STEEN DER WIJZEN
Hoe ik er ook naar tuurde, de wond was helemaal genezen. Hem weer openpeuteren, met een mesje of een schaar, of hem hard langs een muur schuren? Daartoe ontbrak mij eenvoudig de lef, hoe weinig gevaarlijk het ook was. Sommige arbeiders uit de werkverschaffing zagen tegen zulke kleinigheden niet op en verminkten zich soms om thuis te kunnen blijven, in de ongevallenwet of in de ziektewet. Zij schenen geen pijn te voelen en geen angst; ik des te meer. Je behandelde jezelf toch niet als een stuk vee? Het bracht mij ook in een gewetensconflict. Vader had ons geleerd dat de joodse wet geen zelfverminking toestond, dat je niet in die wet als zodanig behoefde te geloven, niet vroom hoefde te zijn om te begrijpen dat hij was gebaseerd op hygiënische en ethische voorschriften die algemeen menselijk waren.
Al die gewetensbezwaren braken als een onweer boven mij los toen de verleiding, het dunne vlies je op de wond open te krabben, bijna te groot werd. Wou je zo graag terug naar de kipkar? Was dat soms beter? Was zo'n onnozel opnieuw geopend wondje niet duizend keer aantrekkelijker?
Toen smeerde ik een laagje zalf op de wond, veegde er even aan totdat het leek of het roze beschermende velletje vochtig was door pus.
De controledokter keek nauwelijks naar mijn hand, vroeg een watje aan de verpleegster, veegde de zalf weg en zei kort aangebonden: 'Vandaag nog beginnen.'
Ik moest in de Galerij bij het Frederiksplein een briefje halen om op eigen gelegenheid met de trein te kunnen reizen en niet in gezelschap van mijn maats, die al voor dag en dauw waren vertrokken.
In de volle coupé zaten ook twee Duitse soldaten in veld-grijs die druk met elkaar praatten over het vastlopen van het
151