Zo had ik zelf ook al honderd keer geredeneerd, en toch wilde ik voor geen prijs in de schoenmakerij blijven. 'Geloof me, ik hou het zo niet vol.'
De hele dag had ik lopen keutelen om het vader te vertellen, en nog steeds had het me aan lef ontbroken. Straks, als Mau-rits er niet bij is, hield ik mezelf steeds voor, op enig ogenblik zal hij wel ergens heen moeten, al is het voor een half uurtje.
Eindelijk waren we met zijn tweeën, vader en ik, en nog steeds wist ik niet hoe ik moest beginnen. Mijn keel was droog, het scheen alsof mijn lippen gebarsten waren, en weer liep ik naar de kraan om eraan te lurken. Toen, ineens: 'Deze week is voor het laatst, vader. Ik ga steun aanvragen.'
'Jij? Waarom?' vroeg hij verbaasd, 'heb je het niet naar je zin bij ons?'
'Jawel,' antwoordde ik, en zocht naar woorden. 'Maar u hebt niks aan me. En voor drie volwassen mensen zit er geen brood in de schoenmakerij.'
'Dat is mfjn kopzorg. Kunnen jullie er niet van komen? Daar is wel een mouw aan te passen. Dan komen jullie 's avonds bij ons eten. Waar voor drie mensen voldoende is, hoeven vijf geen honger te lijden. Moeder sjat het een bole. Ze zal het fijn vinden elke dag met de kleine meid erbij.'
'Daar gaat het niet om,' zei ik schuchter.
'Waar dan wel om? Jullie kunnen ook bij ons komen wonen. Je eigen slaapkamer boven staat nog steeds leeg. Op zolder kunnen jullie de meubels zolang opslaan. Zes gulden huur minder per week is ook geen kattepies.'
Dat ook nog, dacht ik bij mezelf, eerst de hele dag gepest worden, en dan 's avonds bij ze wonen. Toch mocht ik zo niet denken, vader meende het immers goed, hij begreep niet eens hoe bang ik was geworden voor zijn scherpe tong en hoe ongelukkig ik me voelde, dag in, dag uit.
150