En geen van drieën gaven we de moed op. Ben je gek, wie geeft er nou de moed op, wat is een jehoede nog waard als hij de moed opgeeft? 'Je kan nu tenminste een spijker recht in een gummihak slaan,' zei vader prijzend. 'Daar is het dan tenminste nog goed voor dat je in de schoenmakerij werkt.'
Ja, dat had ik geleerd, en ik was er trots op, want meestal lukte het nu vanzelf, als je er niet te veel op lette. Je mocht er niet bij nadenken, dat was het geheim van de smid.
'Als je goed uitkijkt mag je op de machine een paar zolen pennen. Neem die werkschoenen, daar kan niet veel mee gebeuren. De schoen goed plat houden op de standaard die hem draagt. Door de machine wordt hij vanzelf voortgeduwd. Eerst wordt er een gaatje in de zool geprikt, niet duwen zeg ik je, nu wordt er een houten pennetje in het gaatje geslagen, en zo gaat het door. Voorzichtig de zool meedraaien, niet wrikken, de machine doet zelf het werk.'
Het gelukte me min of meer, soms werden er vier houten pennetjes tegelijk in een gaatje geramd, zodat je een hele prop kreeg, dan weer sloeg hij een stukje over of brak het penhout.
'Dat zijn de makkes waar iedereen mee te doen krijgt als hij het vak leert,' zei vader geruststellend, 'voor de eerste keer is het niet gek.' Intussen raspte hij ijverig langs een ophoping van afgebroken houten pennetjes, om de zool een wat beter aanzien te verschaffen. 'We doen er straks wat bliksemzwart over, halen de zool langs de uitpoetsborstel en geen hond die het ziet.'
Eigenlijk viel het wel mee. Als je het goed beschouwde was het helemaal niet moeilijk. Ik had maar één naald gebroken. 'Mag ik die andere zool ook doen, vader?' vroeg ik.
Weer liet ik de schoen met het ritme van de machine meebewegen. Hij trok uit zichzelf langs de rand van de zool, nauwelijks hoefde ik hem vast te houden. Verrek. Bij de ronding van de neus had ik hem eerder moeten laten mee
146