ven in mijn hand terecht. Het bloed gutste uit de wond, ik beet me op de lippen van de pijn. Eerst wilde ik niets laten merken, zoog aan mijn hand, tot alles rood kleurde.
'Stommerd,' riep vader geschrokken. 'Hoeveel keer heb ik je al niet verteld dat je een schroevedraaier niet als beitel mag gebruiken. Kijk nou toch eens aan. Maurits, pak de verbandtrommel even.'
Terwijl ik mijn hand boven mijn hoofd hield om het bloeden tegen te gaan, zocht vader naar verband en pleister, trok met zijn bepekte vingers de twee kanten van de wonde naar elkaar toe en gaf Maurits opdracht er gaas op te doen en leukoplast.
'Daar kun je vandaag niet mee werken,' stelde vader vast. 'Je kan tien pakken tacks halen bij Boersma in de Helmers-straat. En kijk uit met je fiets.'
En weer deden we met zijn drieën ons best om vrolijk te zijn, om er de spot mee te drijven, om te begrijpen dat ik het ook niet kon helpen. 'Je snijdt je nog in je eigen togus,' zei vader net als vroeger, en meende het niet kwaad. 'Vergeet niet dat er al een snee zit.' Ik lachte met hem mee en kromde mijn rug uit schaamte, uit onvermogen en niet in staat om antwoord te geven. Ik was immers afhankelijk van vader en mocht vooral niet geprikkeld worden. Het was ook voor hem een zware last, elke week opnieuw.
Er kwam een spoorman, die vader vereerde om zijn vakmanschap, om zijn goede humeur, om zijn veelwetendheid. Hij werd overgeplaatst, vertelde hij, en liet zijn adres achter. 'Je weet nooit waar het goed voor is.'
Het was een goeie klant geweest; zijn vertrek betekende een strop. Naar Arnhem ging hij wonen, waar moeder vandaan kwam. Alweer een klant die verdween. De een moest naar Duitsland, de ander ging verhuizen, en zo bleef je aan de gang. Het was dat het leer op de distributie was, zodat
144