HET STINKELTJE
Ik liep geluidloos te huilen, en wist me geen raad. Om de hoek lag het stinkeltje, en vandaag zou ik er met vader over spreken.
Het was begonnen met een zeurende hoofdpijn boven mijn rechteroog 's morgens. Al mijn bewegingen werden erdoor verlamd, en pas op het laatste ogenblik had ik mijn besluit genomen.
Met de allerbeste voornemens was ik bij vader gaan werken, nadat ik werd gedemobiliseerd en mijn baas me niet terugnam. Vader had het zelf aangeboden. 'Er is werk genoeg aan de winkel. Kapotte schoenen hebben de mensen altijd, en aan klanten ontbreekt het me niet. Het vak? Je hebt toch geen stront aan je vingers? Wat iedereen kan leren, kun jij ook. Veel kan ik je niet laten verdienen, veertien gulden in de week. Vetpot is het niet. Om dat terug te verdienen moeten er zeker twintig paar zolen en hakken méér worden gerepareerd. Je kan het zelf uitrekenen: zeventig cent verdienste op een paar schoenen, daar komt het wel op neer. Met een pietsie moeite redden we het wel. Of vind je het te weinig?'
Haastig verzekerde ik hem dat veertien piek per week ruimschoots voldoende was. Daar verrichtte Bep wonderen mee. En ze naaide er ook nog bij, voor een buurtje, voor familie. Botje bij botje konden we er heus van komen.
Zo was ik begonnen. Bij mijn eerste handeling had ik in mijn handen gespuugd, zoals vroeger te pas en te onpas, bij een knokkie en bij het touwklimmen op gymnastiek, onwillekeurig en dwangmatig, alsof mijn lot ervan afhing.
Zwaarwichtige uitdrukkingen had ik tegen Bep gebruikt om mijn beslissing te onderstrepen. 'A la guerre comme a la guerre. We moeten ons er doorheen slaan. Dan maar schoen
142