EMIGRATIE
Het zweet liep in straaltjes in mijn hals, en nog wilde ik het niet opgeven. Eén spelletje, toe, met je winst mag je er niet mee uitscheiden. Weer liepen Maurits en ik naar de andere kant van de tafel waarop met veel moeite het netje gespannen was. Het celluloid balletje ketste vlak bij de rand op het tafelblad, maakte een hoekbeweging en vloog de kamer in zonder te kunnen worden teruggeslagen. Nóg beter was een zeikballetje, dat het net eventjes raakte en aan de andere kant omlaag gleed, ongrijpbaar voor de tegenpartij. We juichten van pret, telden de sets op, wisselden opnieuw en wisten niet van ophouden.
En iedereen was blij. We konden ons niet herinneren ooit zoveel lol te hebben gehad. Vader lag op de divan de krant te lezen omdat hij plaats moest maken voor ons tafeltennisspel, moeder slofte heen en weer naar de keuken met thee, met een gemberbole, met rozijntjes, om ons te bedienen als we even ons spel onderbraken.
Die tafel, een lang eikehouten fabrieksprodukt, was de ronde komen vervangen die aan alle kanten kraakte als een steunende ouwe man. Op deze kon je tafeltennissen, ontdekten we al gauw, en niets deden we liever.
Er was een beetje welvaart gekomen in het gezin sinds ik enige maanden geleden getrouwd was met Bep. Waar we nooit op hadden gelet gebeurde nu stilzwijgend. Ieder van ons geneerde zich voor de rotzooi thuis, en ineens kon er zonder uitvoerige discussies wat worden gemist voor kleine verbeteringen. Een simpel ameublementje met stoelen waar de veren niet uithingen, een nieuwe kokosmat op de grond, een kachel die niet in de gaten moest worden gehouden omdat er brandende stukjes kool uit konden vallen — waarvan zwarte brandvlekken in het zeil eromheen nog getuigden —
133