bord. Toen schreeuwde hij: 'Snotneus dat je bent, wil je mij de les lezen? Wil jij me vertellen wat ik wel of niet met mijn geld mag doen? Wil jij de baas spelen hier in huis? Ben jij getrouwd met je moeder? Werk ji'j zo hard om ons gezin te onderhouden? Nooit ben je meer thuis. Nergens stel je meer belang in. Meneer voelt zich boven ons verheven, meneer is van adel. Kotsmisselijk word ik van je. Een drol, versta je me?'
Ik hield mijn adem in, wist trouwens niet wat ik erop moest antwoorden. Die uitbarsting van drift had ik allerminst verwacht. Vader die zo tegen me tekeerging? Dat deed hij vroeger als we kattekwaad hadden uitgehaald, dan gaf hij ons desnoods een pak voor onze kont; altijd was er wel een reden voor geweest die mijn verontwaardiging kalmeerde.
'Als het maar voor het stinkeltje is,' zei ik verbitterd.
'Jij versjwartste nar,' antwoordde vader razend van woede, 'jij bijgoochem, moet jij me voorschrijven of je moeder naar het sanatorium moet? Als het je hier niet naar je zin is zoek je maar een ander kosthuis.'
Zijn woorden verpletterden me, waarom moest hij zulke ontzettende dingen zeggen?
'Wat vindt u daar nou van moeder,' vroeg ik zacht, en richtte me tot haar, 'als u nou graag naar onze neef gaat...'
Eerst gaf ze geen antwoord, zuchtte als wist ze zich er geen raad mee, zei toen bestraffend: 'Bemoei jij je niet met zaken die je niet aangaan. Het is iets tussen vader en mij, als hij die gulden niet kan missen zal hij daar zijn reden voor hebben.'
13*