mee krijgen. Zo iets kan als een belediging worden opgevat.' Een simpel flauwekulletje een belediging? Van wie dan wel? Alle aardigheid ging eraf op die manier. Voor hem deed ik het toch ook een beetje als ik me uitsloofde met een versje, met een lekespelletje? Hij moest het immers net zo goed fijn vinden dat ik voor meer zaken belangstelling toonde dan voor de vervelende lessen van handelsavondschool?
Alleen met Maurits had ik nooit ruzie meer sinds de dood van Saartje. Het was alsof een geheimzinnige beslissing van het lot ons verbond had bekrachtigd. Als ik mij kwaad maakte was het op moeder, omdat zij hem immers voortrok. Hij kreeg elke avond vers eten, voor mij waren de kliekjes omdat ik naar avondschool moest voordat vader en Maurits thuiskwamen. Weliswaar poogde zij mij soms aan te halen, mijn belangstelling voor iets te wekken en mij vooral op mijn belangen te wijzen die ik naar haar mening verwaarloosde, maar wij waren als de twee poppetjes uit het weer-huisje. Zodra zij naar buiten kwam om me tegemoet te treden, verdween ik in mijn eigen hokje. En omgekeerd ging het precies eender. Wilde ik haar helpen, met aardappels schillen, met een boodschap, met stofzuigen, dan maakte ze er onverbiddelijk misbruik van, verlangde steeds meer, zodat ik weer in mijn schulp kroop.
Toen gebeurde er iets bijzonders in ons gezin. Een neef was van huis gevlucht, waar hij ruzie met zijn vader had gekregen. Zijn heil zocht hij nu bij ons. Ik keek tegen hem op, want hij was vijf jaar ouder dan ik en had verkering gehad met een Duitse meisje waarover juist de heibel was ontstaan. Hij wist van wanten, en ik?
Elk karweitje pakte hij aan om aan de kost te komen. Met een ijskarretje stond hij bij Artis, ging werken in een vernik-kelfabriek, brandde zich aan giftige vloeistoffen, kreeg zweren op zijn lichaam omdat het werk te ongezond was, ging opnieuw ijs verkopen. En welke arbeid hij ook verrichtte,
128