Vader lag evenwel in het ziekenhuis, en ik kende de vakgeheimen niet. Trots droeg ik de broek toen ik naar hem toeging op de mannenzaal. Hij zag het meteen, trok even zijn voorhoofd in rimpels, bekeek me opnieuw en zei: 'Een kootsen ben je ermee, een echte kootsen.'
Die eerste dag waarop vader weer in het stinkeltje verscheen werd hij door meer klanten verwelkomd dan hij dacht nog te bezitten. Een kwam helemaal bij het Olympisch Stadion vandaan, een ander, uit Tuindorp Oostzaan, nam een bosje tulpen mee, en ik schaamde me, want zijn zoontje had ik vroeger altijd gepest omdat het zo'n braaf jongetje was.
Er kwamen die week zelfs drie klanten weer opdagen die naar de knoeier waren overgelopen. Het was een grote overwinning.
Toen, op een maandagochtend, was het etalageraam van de knoeier wit gekalkt, zoals men vroeger een wit laken voor een raam spande als er iemand was gestorven. Aan de deur hing een bordje: te huur.
We gingen ieder een keer naar de overkant om het goed in ons op te nemen, zeker is zeker.
Die avond kregen we allemaal een glaasje Bloedwijn, die nog in de keukenkast stond nadat vader naar het ziekenhuis was gegaan. 'Geen kiddisjwijn,' zei vader, 'geen rozijnenwater.'
En moeder voegde eraan toe: 'Een ongeluk komt nooit alleen. Dat heb je gezien: eerst de knoeier, toen het ziekenhuis. Maar mazzel trekt mazzel aan. Het begon met het lote-rijtje van de kinderen, en nu is de knoeier weg.'
125