Vader mopperde toen we aan zijn bed stonden.
'Ze hebben me geopereerd zonder me weg te maken. Dat kon niet, zei de chirurg, met een operatie aan je hoofd. En het ergste was, de radio speelde door, keihard, het dreunde door mijn hoofd terwijl ze aan het hakken en het boren waren totdat ze een gat hadden aangebracht door mijn neusholte, door mijn kaak.'
Een verpleegster kwam voortdurend doorspoelen, een rubber slangetje van het gat in de kaak naar het voorhoofd, waardoor zij uit een ballonspuit een bruine vloeistof liet vloeien, een handeling die zij vader liet nadoen omdat hij er, eenmaal weer thuis, mee moest doorgaan totdat de infectie verdwenen was. De zuster mocht vader graag, zoals ook vrouwelijke klanten in de winkel op vader gesteld waren, lang bij hem bleven staan praten, niet bij hem weg konden komen, wat hij prettig scheen te vinden en wat hem toch verlegen stemde.
Zolang vader er niet was, hielp een oude vriend van hem in de winkel. Een rechtsjaffen mens, zei moeder. Het was de leerhandelaar bij het Concertgebouw, die borg had gestaan toen vader een lening aanvroeg om het stinkeltje te kunnen beginnen, die zijn schoenen bij hem liet maken en die van het verblijf in het ziekenhuis had gehoord. Gekleed in donkerblauw kostuum zat hij achter de toonbank, stond de klanten te woord, terwijl Maurits de schoenen repareerde. Zijn vlinderdasje pronkte op zijn witte overhemd, en altijd had hij het over vader. Het was zo jammer dat hij was blijven steken... Bevriend waren ze destijds geworden omdat ze alle twee rood waren. Als hij de a jc zag lopen kreeg hij tranen in de ogen. Zo praatte hij altijd, en wij keken tegen hem op, een rijke man, voor het eerst in ons leven. En hij was niet eens een jehoede.
123