ste winner.
'Een rooie,' herhaalde de man en hield vader het bankbiljet voor ogen, terwijl hij het tussen zijn vingers liet kraken. 'Honderd ballen voor noppes.'
'Of voor de hoofdprijs,' antwoordde vader. 'En er zitten nog meer prijzen in, dat weet je ook wel. Jouw honderd gulden? Ze vliegen uit je handen voor je het weet. Nu heb ik één kans op de honderd dat ik voorgoed uit de sores ben. Misschien gaan we wel emigreren naar Amerika, waar een broer van mijn vrouw woont. Die is er ook beter op geworden. Je moet eens zien wat een zaak hij nu heeft, hij heeft er pas nog een foto van gestuurd. Honderd gulden? Dan zal ik een half jaar later mijn schuld hebben afbetaald.'
'Je schuld?' vroeg de klant.
Vader gaf geen antwoord meer. Het ging die klant geen sodemieter aan dat hij schulden had en zich in het stinkeltje veilig voelde voor schuldeisers.
'Morgen weten we het, Barend,' waren de laatste woorden van moeder voordat we 's avonds naar bed gingen.
'Hoop doet leven. Een paardehoop ook, kijk maar eens naar de mussen.'
'Je weet wel beter, Barend. Je zegt het alleen maar omdat je er niet voor uit wil komen dat we...'
Natuurlijk werd het een niet, en vader zei: 'Heb ik het je gezegd?' Het bevestigde eens te meer dat hij toch altijd de sjlemiel was, dat je voor de mazzel geboren moet zijn.
Verschillende keren was vader dat jaar al ziek geweest. Dan kocht moeder een fles Bloedwijn in de winkel van De Samenwerking, goot er een glas mee vol, smolt er een aspe-rientje in, voegde er kokend water bij en gaf het vader te drinken voordat hij onder de wol kroop. Tevreden was hij pas als hij begon te sjwitsen, zo erg dat hij zich moest verschonen, om de volgende dag weer aan het werk te tijgen.
12 I