er niet aankomen. Misschien had vader daarom het stinkel-tje gehuurd, voor zes gulden in de week. Een donkere slurf, waar niemand iets in zag. Als een belastingambtenaar binnenkwam, had hij het al gauw bekeken.
En daarbij hielp ik vader een handje, want hoe gauw mijn geweten ook begon te knagen als het mijzelf betrof, voor vader was ik bereid te sjwindelen, nou ja, een beetje tenminste. Boekhouden had ik op de hbs geleerd, en ik was er slecht in geweest, maar een kasboek bijhouden was een peuleschil. Als je twee gulden voor zolen en hakken ontving, kon je ook één-vijftig opschrijven. Te gek mocht je het niet maken, er moesten altijd voldoende ontvangsten overblijven om van te kunnen leven met een gezin, en dat kon je gemakkelijk uitrekenen. Niet dat er geen belastingaanslagen kwamen, daarin was vader een keiharde. Totdat er een dwangbevel kwam en hij naar het belastingkantoor moest om een regeling te treffen. Als de toestand nog dreigender werd, sprak hij niet meer van het stinkeltje, maar van de 'zeik' om de zaak aan te duiden. 'Ik zit toch in de zeik,' zei hij dan, om moeder gerust te stellen die de kosten van een dwangbevel zondegeld vond.
De honderdduizend op de laatste dag, vermeerderd met f 30.000, wanneer was dat eerder gebeurd? Er werd druk over gesproken, en ofschoon wij er niet over mochten praten omdat je je geluk niet in de waagschaal mag stellen, wist een klant ons te vertellen dat vader nog meedong. Hoe zou hij aan die gochme gekomen zijn? Misschien had de collecteur gesjmoesd, misschien ook niet, je mag iemand zonder bewijzen niet beschuldigen.
'Honderd piek geef ik voor je twintigje, schoon aan de haak,' zei de klant.
Vader aarzelde. Nee had je, ja kon je krijgen, en nu lag het geld voor het grijpen. Honderd gulden. Dat was de eer
120