stroopte mouwen. Eens zien wie er sterker was: de knoeier of wij. Maurits kreeg net zoveel zakgeld als ik, terwijl hij bij vader werkte en een goede vakman werd. Moeder bracht schoenen weg om klanten niet te verliezen, deed haar boodschappen in de Albert Cuypstraat tegen de tijd dat de markt afliep, dan had je altijd wel een bezolletje.
En vader speelde weer loterij. Eens moest de mazzel toch in je leven komen. Een twintigje was nog te betalen: drie-en-een-halve piek. Als je de honderdduizend won, gedeeld door twintig, bleef er altijd vijfduizend gulden over. Min de loterij belasting, min de fooi voor de collecteur, zeg vijfhonderd gulden, dan kreeg je lekker nog ƒ 4500 schoon in handen. Het was een onvoorstelbaar groot bedrag, te groot eigenlijk. Met een prijs van ƒ 50.000 waren we ook tevreden, desnoods de ƒ 25.000. Dan hield je immers duizend gulden over, wat kon je daarmee niet doen?
Ineens was het lot ons gunstig. Vader zat er nog in met zijn twintigje, ofschoon de vijfde klas aan de laatste dag toe was. Nog honderd nummers moesten worden uitgeloot, en de honderdduizend was nog niet vergeven. Eén kans op de honderd. Als je het zó uitrekende had vader al duizend gulden verdiend. Duizend gulden? Veel meer. De laatste hoge prijs kreeg er immers een premie van dertigduizend gulden bij? Stel je voor, de ƒ 130.000, en die kon vader winnen met zijn twintigje: zesduizend gulden. Daar kon je zes jaar rijk van leven, of een grotere winkel huren als vader het durfde, al geloofde ik daar niet in, als je eenmaal failliet bent geweest moest je uitkijken, anders kwamen ze later nog aan je geld. Verstandiger was het, het voor de buitenwereld geheim te houden. Dan kwamen ze ook niet de deur bij je plat lopen, zoals vroeger, en 'nee' zeggen was moeilijker dan 'ja'. Zo kwam het wel op.
Als je met het geld geen zaken deed, kon ook de belasting
119