vreselijk in uit, maar had het tientje examengeld niet op het beslissende ogenblik.
Toen het hem wat beter ging, was hij door sjlemiliteit failliet gegaan, omdat hij op het verkeerde tijdstip een partij veters had ingekocht die hij, de eerste wereldoorlog was afgelopen, aan de straatstenen niet meer kwijt kon.
En het allerergste: Saartje was gestorven, een jaar geleden. Op haar had hij zijn hoop gevestigd, voor haar was hij het stinkeltje begonnen, en nu verloor hij de ene klant na de andere.
Hij geloofde nergens meer in, en het was hem aan te zien. Vroeger, als hij lachte, was je weerloos, ontwapend, en dan was ik gek op hem, nergens op de wereld vond je een tweede vader die zo fijn was. Zijn gezicht was dan de vriendelijkheid, de liefheid zelve. Nu had hij meestal een vermoeide, verbitterde trek, en alleen een wonder kon er even een blijde, milde uitdrukking op toveren. Zijn kleren waren verwaarloosd, waar hij zich dan voor geneerde, zodat hij tenslotte nieuwe kocht die hij ook bij zijn werk droeg en die al gauw hun charme verloren.
Zelfs de loterij kon zijn hoop op geluk niet meer doen herleven. De gekken trekken de kaart, stelde hij gelaten vast, en hij wist donders goed dat hij niet mesjogge was. Als hij toch meespeelde, met een twintigje, was het uit sleur, uit een soort bijgeloof dat in het leven gebrand zit als een brandmerk in een plaat rundleer.
De hele familie was bij het stinkeltje ingeschakeld, ook ik, al werkte ik als jongste bediende op een im- en exportkantoor. Vier-en-een-halve gulden per week moest ik aan vader afdragen, twee heitjes mocht ik behouden. Het was de gewoonste zaak van de wereld, want we moesten ons er-doorslaan, en iedereen in ons gezin vocht mee met opge-
118