'Eet gauw je brood op,' zei vader hees.
Ik liep naar de werktafel achter in de schoenmakerij, waar een halve maanzaadgalle voor me ingepakt lag. Daarnaast stond een grote kartonnen doos, met de post verstuurd. Aan de heer B. Santen, was er met zwarte inkt op geschreven, afzender Kindersanatorium Hooglaren.
'Wat is dat?' vroeg ik verbaasd.
'Het zijn de kleren van Saartje,' antwoordde vader nauwelijks verstaanbaar.
'Zo laat? Het is al bijna een maand...' wilde ik opmerken, maar ik vroeg: 'Zijn moeder en Maurits er niet?'
'Die zijn vroeg naar huis gegaan. Er was toch geen bliksem te doen.'
Rachmones noemden ze dat weke gevoel van binnen, nu begreep ik het voor het eerst. Als ik lang bij vader in de winkel bleef, was het niet zo erg voor hem.
1 '5