ken. Als ik de schoenmakerij binnenkwam zou ik meteen zeggen: 'Zo in sjoel en zo opgeroepen.' Zou hij gek kijken, en misschien zeggen: 'Wat bedoel je?' Ja, wat bedoelde ik ermee?
Van dat meisje zoeven was de benen pen geweest die ze aan Saartje had gegeven, en die ik had gebroken omdat ze beweerde dat hij onbreekbaar was. Ik dacht het écht. En als ik geweten had... hoe kan je dat nou weten?
Daar vlakbij was de Pieter Lastmankade, waar oom Har-tog en tante Lea woonden. Zou ik bij ze aanbellen? Wat moest ik dan zeggen? Dat ik verdwaald was? Trouwens, oom Hartog was naar zijn werk op de tuchtschool in de Watergraafsmeer, waar hij altijd van vertelde als hij bij ons was, over jongens die wegliepen. Ik moest voortmaken, anders kwam ik nooit bij vader.
In een sukkeldraf, mijn duim in een zij geduwd, liep ik voort, langs de Sintelbaan. Hoe zou het komen dat ik zo goed was in gymnastiek? Kon je wel lenig zijn als je een jehoede was? De plaatsvervangend gymnastiekleraar was er ook een. Maar Saartje was veel stijver geweest dan ik, en Maurits kon weer goed voetballen, ik kon er geen wijs uit worden.
Mijn hielen brandden in mijn schoenen toen ik bij het Ceintuurtheater bleef staan. Daar had vader een bioscoopreclame op het doek, al een jaar, zodat de mensen wisten dat er een nieuwe schoenmaker in de Van der Helststraat was gekomen, en dat je er ook fournituren kon kopen. Dat was nog het beste, je kreeg er winst op zonder dat je ervoor hoefde te werken. Mendels, die Poolse jehoede die aan vader wel eens wat verkocht, wat was die goedkoop met zijn gummihakken, dat was toch maar mooi winst. Alleen zag je hem niet vaak, en je snapte niet hoe hij eraan kwam. Hij sprak jiddisj. Met een beetje Duits en een paar gewone jid-
3