Met lange schreden bewoog ik mij door de saaie Da Cos-tastraat, telde de hijsbalken die als galgen onder de daken dreigden, tot ik de Van Lennepkade genaderd was. Nu moest ik kiezen. Linksaf kwam je op de Nassaukade, dan liever naar rechts, en verderop de brug over, om ten slotte in de Van Lennepstraat te belanden, en vandaar in de Bilder-dijk.
Aan de overkant van de brede straat lagen de houten barakken van het Wilhelminagasthuis. Saartje had erin gelegen met difterie, toen ze tien jaar was. Als vader en moeder bij haar op bezoek gingen, moesten Maurits en ik buiten op ze wachten. Het was een besmettelijke ziekte, daarom. Zelfs vader en moeder moesten achter glas met Saartje praten. Verwend werd je als je ziek was. Mooie peren kochten ze voor haar, en druiven, die ik nooit gegeten had. Ik herinnerde het me vijf jaar later nog precies, het groen van de enorme peren, het blauwe waas over de druiven. In het sanatorium, kort geleden nog, werd ze ook verwend en voorgetrokken boven Maurits en mij. Ik had ook wel eens gewild dat ze zo iets voor mij deden. Nou ja, bij wijze van spreken. Nu was ze dood. Zou ze tbc hebben gekregen omdat ze een zwakke plek had overgehouden van de difterie? Hoe kon je dat weten? Zelf was ik sterk als een beer, zeien ze. Want ik had het niet gekregen ofschoon ik elke dag met Saartje naar de hbs ging. En roodvonk net zomin toen Maurits het kreeg, al had ik met hem in hetzelfde bed geslapen.
Als ik nu rechtsaf de Tweede Helmersstraat insloeg, kon ik vijftig meter verderop het kantoortje zien waar we hadden staan wachten voor de hekken. Toch eens kijken. Er was niets aan. Wat was daar nou aan te zien? En gauw haastte ik mij de Tweede Constantijn Huygensstraat in.
Constantijntje, 't zaligh kijntje. Dat liedje had Vondel gedicht toen zijn zoontje was gestorven. Moesten we leren, op letterkunde. Een dochtertje van hem was ook dood gegaan.
i io