zomme hebben, want ze droegen allebei een bontjas) e. Gelukkig had ze het niet gemerkt toen ik vanmorgen per ongeluk op de grond hoestte, een flodder, waar ik allang last van had sinds Saartje tbc had gekregen. Gauw had ik mijn voet erop gezet en heen en weer gewreven.
Tien voor half. Naar huis hoefde ik niet te gaan sinds we niet meer in Tuindorp woonden en vader een schoenmakerijtje in de stad was begonnen. Geen denken aan. Nogal leuk als er niemand thuis is. Moeder was tegenwoordig altijd bij vader in de winkel. Net zo goed als Maurits, die bij hem was gaan werken nadat Saartje dood was gegaan. Ze verwachtten mij er trouwens ook na school, moeder had het me vanmorgen nog nageroepen. Altijd riep ze wat na. Heb je niets vergeten? Moet je nog een boterham voor onderweg? Denk je erom vanmiddag?
Als ik nu eens een kortere weg naar de Van der Helst-straat zocht? Sjas Windegas, zei vader altijd, dat was jiddisj van vroeger voor een straat, Zes Windenstraat of zo iets. Het was allang mijn plan geweest de kortste weg te zoeken. Als je het op de keper beschouwde liep je langs de Nassau-kade en de Stadhouderskade een zenuwenstuk om. Eerst van school naar de kade lopen, dan de bocht langs het Vondelpark, dan naar links langs het Rijksmuseum, en ten slotte weer van de kade naar rechts, langs Heinekens paardewa-ter een eind de Van der Helst in. Een lintwurm liep je. De kortste afstand is een rechte lijn tussen twee punten. Ha, meneer de wiskundeleraar, dat heb ik tenminste van je geleerd. Waarom zou deze leerstelling niet evenzeer voor de weg naar vader gelden? Er móést een rechte weg lopen van de Da Costastraat, door het Vondelpark. Dat scheelde zeker tien minuten. Dan mocht ik het ook aan niemand vragen, anders was er geen kunst aan. Zo ingewikkeld was het niet om het zelf te vinden.
108