len. Daar doe ik niet aan mee.
Een kleine magere man, met een zwarte hoornen bril op, een steeds bewegend smal gezicht, een haarlok die over zijn ogen valt en driftig wordt teruggeduwd, waarna hij een nieuwe sigaret aansteekt aan een nog brandende peuk, met korte halen, kucht, en nog eens zegt: 'Meneer Santen, als uw verdediger moet ik in de eerste plaats aan uw belangen denken. Ik heb de indruk dat u er met zes maanden af zult komen als u zich van uw vriend Martin losmaakt. U hoeft niets tegen hem te verklaren, alleen uw eigen verdediging ter hand te nemen.'
'Dat doe ik nooit,' antwoord ik fel, maar aarzel even om het hem duidelijk te maken. Kun je zo'n vreemde man wel alles vertellen? Dat ik even verantwoordelijk ben? Dat Martin voor de beweging onmisbaar is?
'Uw vrouw was bij me om te vragen of ik uw advocaat wilde zijn. Zij huilde en zei dat u een eerlijk mens bent en dat ik u móét helpen.'
'Dat is heel iets anders.'
'U moet ook aan uw persoonlijke belangen denken.'
'Dan had ik hier nooit gezeten. Ik wil u graag als advocaat hebben, maar dan moet u ervan uitgaan dat mijn belangen ondergeschikt zijn aan die van Martin. Hij is hier vreemd, ik woon hier.'
'Afgesproken,' antwoordt Mr. Ritier, en het lijkt haast of hij opgelucht is.
Ook het leven in de cel kent zijn eigen ritme, heeft onderbrekingen die je een nooit-vermoede blijheid schenken. Bep komt op bezoek met een van de kinderen. Eens per week. Een kwartier. Een bewaarder zit erbij en luistert naar elk woord. Een toonbank scheidt ons, en toch gloeien onze gezichten als wij elkaar begroeten. Elk woord heeft voor ons zijn eigen betekenis zonder geheimtaal te zijn, het verbindt ons door onze gezamenlijke herinnering en roept we
154