Verschrikt kijk ik haar aan. 'Ik heb toch recht op de advocaat van mijn eigen keus?'
'Ja, maar niet die van uw vriend. Daar beslis ik over.'
'Dan neem ik helemaal geen advocaat en kom zelf wel voor mijn rechten op.'
'Dat zou heel onverstandig van u zijn.'
Toch doe ik het.'
Dan heb ik U verder niets te zeggen.' En zich tot een parketwacht richtend: 'U kunt verdachte meenemen.'
Terug in de rechtbankcel ga ik zitten op de met een ketting vastgeklonken kruk, sta weer op, doe vier stappen heen, vier stappen terug, trek de kruk weer naar mij toe. Als ik maar wist wat ik moest doen. Eigen advocaatje spelen? Wat weet ik van de wet? Met gebeunhaas is Martin ook niet gediend. Ik moet gauw beslissen, straks komen ze me halen om me weg te brengen. De bel klinkt hol na in de stenen gang. Dan brengt de parket-wacht me weer naar de rechtercommissaris.
'Mevrouw,', zeg ik aarzelend en met een strak glimlachje luistert ze naar mijn verzoek.
152