zwaar tegen zijn aanwezigheid?'
Het bloed vliegt me naar het hoofd, maar nog antwoord ik: 'Dat gebeurde bij jullie in Frankrijk toch ook wel? Er waren altijd niet-afgevaardigden op de congressen, uit belangstelling, en die zaten elkaar vaak genoeg in de haren. Niemand zei dat ze moesten vertrekken.'
Het gesprek wordt steeds zinlozer. De vragen nemen geen einde, zuigen me het bloed onder de nagels vandaan, en plotseling schreeuw ik: 'Tu poses des questions comme un petit policier.'
Weet ik wel wat ik zeg? Petit policier, het is de grootste belediging die je elkaar in de beweging kunt toevoegen. Zo heb ik het niet bedoeld, geloof me, natuurlijk heb ik niemand voor smeris willen uitschelden, en als ik mij in het Nederlands had kunnen uitdrukken had ik heel andere woorden gebruikt.
Hoe ik mij ook verontschuldig, er wordt niet meer naar mij geluisterd. Daar komt Martin ook al naar me toe. Wat is er met mij in godsnaam aan de hand. Bleek, verschrikt vraagt hij: 'Wat heb je precies gezegd? Dat is toch niet waar?' en als ik knik: 'Dat zullen ze tegen ons gaan gebruiken. Je moet absoluut je verontschuldigingen aanbieden.'
'Dat heb ik al gedaan, ik heb het werkelijk zo niet bedoeld.'
De vergaderingen van het dagelijkse secretariaat worden voortaan bij Sal thuis gehouden, beslist Martin, op voorwaarde dat er niet meer geschreeuwd wordt. De huizen zijn gehorig genoeg in zo'n nieuwe wijk. Voor wij beginnen vraag ik het woord voor een feit: 'Het spijt mij ontzettend dat ik me in Duitsland zo heb laten gaan. Misschien was ik te geprikkeld omdat ik overwerkt ben. Ik slaap tegenwoordig geen vijf uur per nacht meer, en tijdens de weekends moet ik nog naar vergaderingen. Bovendien moest ik mij in het Frans uitdrukken, dat ik niet goed beheers, waar-
135