54 ARMOEDE EN ONDERLING HULPBETOON.
Behalve de gewone bedeelden, zoo vermeldt de Commissie, ingesteld voor het lenigen van den nood, zijn er in 1817 20.686 personen en 20.011 kinderen, tezamen vormende 12.615 gezinnen, wier inkomen niet boven ƒ 6.— per week gaat, noch het gemiddelde loon boven ƒ 3.— per week.
Troosteloos zijn de tabellen, die wij nu doorbladeren: 1814—1821, tot 1865 toe, is het alles Koekoek-éénzang. In lange rijen trekken in de eerste helft der 19e eeuw de paupers voorbij. Wij beginnen met het getal 66.545 en vijftig jaren daarna, in 1855, is het aantal 64.329.
Daarna is er een begin van verbetering merkbaar. In 1865 is het aantal bedeelden 51.070: een absolute achteruitgang bij een toenemen van de bevolking van 194.527 op 264.694. Is deze achteruitgang werkelijkheid of schijn? Het antwoord is moeilijk te geven. Bij het in werking treden van de Armenwet, in 1856, wordt de dubbele bedeeling afgeschaft en de norm van behoeftigheid aanmerkelijk verscherpt.
In 1870 wordt de statistiek betreffende het aantal huiszittende armen opnieuw gewijzigd, zoodat een goede vergelijking steeds moeilijker wordt.
Van 1890 tot 1910 worden bruikbare gegevens verstrekt. Het aantal huiszittende stadsarmtn,