178 DE GEMEENTEHUISHOUDING EN HARE FINANCIËN
Deze stijging van het bruto-inkomen, zoo ver uitgaande boven den bevolkingsaanwas, zegt omtrent het welstandspeil der bevolking wel iets, doch niet alles. Immers dit belangrijke accres kan uitsluitend aan een kleine groep der bevolking ten goede zijn gekomen.
Van nog meer beteekenis is, dat in het eerstgenoemde belastingjaar 30.084 personen, vormende ongeveer 10 % van de bevolking, bij droegen in de belasting, terwijl in het laatstgenoemde jaar deze groep 157.000 personen omvatte, of ongeveer 25 % der bevolking.
In 1877/78, het eerste jaar van heffen, bedroeg het gemiddelde bruto-inkomen per aanslag/2373; over 1919/20 was dit gemiddelde ƒ 2712.
Het groote verschil in bovenstaande cijfers ligt niet in het grootere bedrag van het gemiddelde inkomen, maar in de mogelijkheid om het totaal van het bruto-inkomen over zulk een groot aantal burgers te kunnen omslaan, vooral als men daarbij in aanmerking neemt, omdat in het eerste hef-fingsjaar de belastingplicht reeds aanving bij een inkomen van ƒ 600.— per jaar.
Wat krijgen de Gemeentenaren voor hun geld terug? Vreet de bureaucratie een goed deel van de inkomsten op, een grooter deel, dan in den ouden tijd daaraan werd besteed? Zie daar een