DE GEMEENTEHUISHOUDING EN HARE FINANCIËN 179
vraag, welker beantwoording veler belangstelling gaande maakt.
Om het antwoord te vinden, behoeft men niet verder terug te gaan, dan tot de periode, waarin Amsterdam herboren wordt. Wij kiezen 1875 en vinden voor kosten van huishoudelijk bestuur ƒ 0.75 per hoofd. In 1912 is dit bedrag ongeveer verdubbeld, ƒ 1.46; in 1919 is het f 3.56.
Intusschen is de titel veranderd en spreekt men van: Algemeen Bestuur. Daartoe behooren de jaarwedden van den Burgemeester en de Wethouders, Presentiegelden voor de leden van den Raad, kosten van Secretarie, Burgerlijken Stand en Bevolkingsregister, Verkiezingen, Archief, Gemeenteblad, Statistiek etc.
Van de meeste dezer onderwerpen trok men zich een 100 jaren geleden niets aan. Toch zou het thans met de bevolking, zonder deze registratie van het leven der burgers, raar gaan uitzien. Zij vormt den grondslag voor de hygiënische en sociale bemoeiingen van de Gemeente.
Voor hygiënische maatregelen besteedde men in 1875 ƒ 0.20; dit is thans gestegen tot ƒ 4,14. Het Onderwijs kostte ƒ 1,83, in 1919 ƒ13,46; Armenzorg ƒ 1,56, thans ƒ 15,74. De Politie werd bekostigd met ƒ 1 per hoofd der bevolking; nu betaalt men voor zijn veiligheid ƒ 7.74.