DE GEMEENTEHUISHOUDING EN HARE FINANCIËN I77
om juist na ioo jaren in 1910 weer het oude cijfer te halen: ƒ 10.93. Dan stijgt de lijn zeer snel; ja, het cijfer zal over het laatste belastingjaar stellig boven de ƒ 50 gaan.
Ter wille van de vergelijkingsmogelijkheid en eenvoud, is berekening per hoofd der bevolking goed; doch zij is in werkelijkheid een fictie. In Amsterdam is het stelsel van betalen naar draagkracht sterk, zoo sterk als de Gemeentewet het toelaat, doorgevoerd. Hoewel geen uiting van vrij willigen gemeenschapszin, betaalt een tiende der aangeslagenen drie vierden van het bedrag, dat noodig geacht wordt.
Maar Amsterdam behoeft deswege niet in zak en assche te zitten.
Uit de ter beschikking staande gegevens blijkt, dat over het belastingjaar 1877—het bruto-inkomen van de Amsterdamsche belastingbetalende burgerij ƒ 71.416.166.675 was. Over 1919—20 was dit bedrag, na aftrek van het inkomen der forenzen, zijnde ƒ 61.555.800, en rekening houdende met dubbele-aanslagen-ver-minderingen ten gevolge van reclames, etc. ƒ 425.732.067. Het bruto-inkomen is dus verzesvoudigd, terwijl de bevolking in dit tijdperk gestegen is van plus minus 302.000 tot 642.162 (oud Amsterdam).
AMSTERDAM EN ZIJNE BEVOLKING.
12