DE GEMEENTEHUISHOUDING EN HARE FINANCIËN 175
zijnde het bedrag, geleend voor de bedrijven, havenwerken en grond-exploitatie, waarvan rente en aflossing door de bedrijven en diensten uit eigen middelen worden opgebracht. Havenwerken en grond-exploitatie niet of nog niet geheel, waar tegenover evenwel staat, dat 16 millioen voor Publieke Werken en 4 millioen voor Markten en Beurs, die voor een deel ook rente en aflossing bekostigen, buiten beschouwing zijn gelaten.
Het is ruim gerekend, wanneer tegenover de ƒ 31.132.755 van 1810, ƒ 77.132.287 van 1920 wordt gesteld, of per hoofd ƒ 119,19. De tijdsomstandigheden en de geringere waarde van het geld in aanmerking genomen, is deze situatie zeer gunstig te noemen.
De groote beteekenis, welke de Gemeentehuishouding gaat innemen in leven en bedrijf der burgerij, blijkt heel sterk, wanneer wij een blik slaan in het huishoudboek.
Tot 1870 blijven de ontvangsten en uitgaven beneden vijf millioen, n.1. aan inkomsten ƒ4.919.321,23 en aan uitgaven ƒ 4.374.342,30.
Zestig jaren zijn voorbij gegleden, zonder dat de huishouding noemenswaardig duurder is geworden. Daarna gaat het hard. Een klein staatje, om te laten zien, hoè hard het ging.