174 DE gemeentehuishouding en hare financiën
huishouding, die door de regenten kon worden overzien.
Wij rekenen nu ruim ioo jaren later. De Gemeente heeft in haar dienst ongeveer 40 directeuren, elk met een staf van ambtenaren en groote scharen werklieden. Niet minder dan 12.583 ambtenaren, vaste en tijdelijke, op jaar- en op weekloon, waarbij ook het onderwijzend personeel, zorgen, dat het groote raderwerk technisch en administratief behoorlijk functionneert.
Met de 10.540 werklieden vormen zij, de gezinsleden er bij gerekend, ongeveer 10 % van de bevolking, of wel 1/3 van de bevolking van Amsterdam in 1812. Van welke groote maatschappelijke en economische verandering van de Gemeente als sociale eenheid getuigen deze cijfers!
Dit gedeelte van de bevolking ontvangt ongeveer ƒ 35.000.000 aan loon of salaris, waarvan het zijn deel weer aan den fiscus betaalt. Want ook de gemeente doet niets voor niets. Sociale bemoeiingen zijn duur; en toch, de Gemeente wordt er niet armer op.
In 1810 had Amsterdam een schuld van ƒ31.132.755; dat was f 155,60 per hoofd. Op 1 Januari 1920, dus ook,in een periode van groote oorlogscrisis, is de schuld ƒ 189.226.100. Hiervan moet evenwel ƒ 122.093.813 worden afgetrokken,