176
DE GEMEENTEHUISHOUDING EN HARE FINANCIËN
Inkomsten: Uitgaven:
M
00
<1
0
ƒ 4-9I9-32I>23
ƒ 4-374-342»3°
1880
„ 12.273.502,74
„ 11.213.941,87
1890
„ 18.339.270,17
,, 17.066.707,61
1900
„ 32.539.341,65
„ 27.637.522,61
1910
„ 37-65°4°3>23
„ 35.442.731,41
1919
„ 57.977.054,22
„ 57.977.054,22
Om de vergelijking zoo zuiver mogelijk te houden, worden uitsluitend de netto-inkomsten en -uitgaven gebezigd. Gewone en buitengewone inkomsten en uitgaven vermelden toch sommen, die menigen lezer den schrik om het hart zouden doen slaan. Het is niet om deze reden, dat zij hier buiten beschouwing gelaten worden, maar omdat zij ten aanzien van de opofferingen, welke de burgerij zich getroost om het huishouden in stand te houden, niets met zekerheid zeggen.
Deze opofferingen zijn niet bepaald gering; maar de last, die ioo jaren geleden te torsen viel, was ook niet licht. De „additioneele stuivers” brachten in het jaar 1810 f 2.199.647 op, of per hoofd der bevolking ƒ 10,74. Amsterdam is er niet aan ten gronde gegaan. Wel ging het slecht met de stad, toen de belasting steeds lager werd. In 1875 was de opbrengst van de inkomstenbelasting per hoofd ƒ 4,05. Daarna gaat het crescendo,