i66
TOONEEL EN MUZIEK.
hoofdstad zeer groot. Vooral het Joodsche deel der bevolking had, bijzonderlijk in den tijd toen het diamantvak bloeide, groote voorliefde voor den mannenkoorzang. Oefening baart Kunst, de Dïlet-tanten-Club, Zang lust, Kunst en Vriendschap telden honderdtallen leden, die zongen, naar binnen- en buitenlandsche wedstrijden trokken, concerten en feesten gaven en aan hunne liefhebberij soms buitensporige sommen gelds ten koste legden. De eerstgenoemde kwam er zelfs toe een eigen gebouw te stichten, Plancius, in de Kerklaan, thans een garage geworden. De zangvereenigingliefheb-berij bepaalde zich echter geenszins tot de Israëlieten, getuige koren als Amstels Mannenkoor, Apollo benevens eenige volks-koren, die in D'Geelvink hun hoofdkwartier hadden.
Vergelijkt men de geringe mate van muziekbeoefening in het begin der negentiende eeuw met hetgeen op dit stuk in hare laatste jaren te aanschouwen viel, dan is het verschil enorm en wijst op een buitengewonen cultureelen vooruitgang.
Amsterdam was op het einde der eeuw een der voornaamste muzikale centra ter wereld geworden en is in dit opzicht tot heden toe eer voor- dan achteruit gegaan.