SPIJS EN DRANK.
146
centage wèl aan, waardoor het mogelijk is, althans bij benadering, het verbruik per hoofd vast te stellen. Het blijft evenwel de vraag, of het cijfer der accijnzen wel het werkelijke verbruik ter stede dekt. Daarop is geen controle mogelijk, doch vermoedelijk zal ook in vroegere tijden geen zekerheid hebben bestaan, dat de hoeveelheid, waarvoor accijns werd betaald, ook ter stede werd genuttigd.
De beste en ook de bruikbaarste gegevens zijn die, welke door een deskundige aan Nieuwenhuys zijn verstrekt en door dezen weer verwerkt. Deze gegevens, loopende over de jaren 1809—1815, zijn slechts bruikbaar voor zooveel zij betreffen het gebruik van jenever en brandewijn.
Hierbij gaat Nieuwenhuys uit van de veronderstelling, dat gewoonlijk de sterke drank door mannen boven den leeftijd van 14 jaar wordt gedronken, waarvoor hij het totaal aantal mannen, 86.654, met een derde vermindert. Hij komt dan tot een verbruik van 47 y2 mengelen jenever en 3 y2 mengelen brandewijn per jaar en per mannelijken inwoner boven den leeftijd van 14 jaar.
Een mengel van deze dranken bevatte 1,53 Liter, zoodat volgens deze opgave het verbruik 78.03 liter per hoofd bedroeg.
Dit is wel een zeer hoog verbruik, ook al neemt