SPIJS EN DRANK.
115
steld worden. Volgens deze berekening was dus het verbruik per hoofd te stellen op 3,21 ons per dag en per inwoner.
Gegevens uit de tweede helft der 19e eeuw zijn zeer schaarsch. Nadat de gemeentelijke accijnzen in 1834 waren opgeheven, is elk bruikbaar gegeven zoek; vandaar dat aan de overheid, toen het in de oorlogsperiode 1914—1919 noodig bleek het broodgebruik te rantsoeneeren, daaromtrent weinig bekend was.
Men begon met op 1 Februari 1917 dit rantsoen op 400 gram te stellen, hetwelk gebaseerd was op gegevens der broodfabrieken en coöperaties. De ervaring, later opgedaan, wees uit, dat het rantsoen inderdaad het werkelijke verbruik dekte. Van het ter aanvulling beschikbaar gestelde rantsoen werd nauwelijks gebruik gemaakt: slechts voor 3 k 4 % van het totaal-verbruik.
Reeds bij vermindering van het rantsoen op 311 gram steeg dit percentage 34 %, waaruit dus wel de conclusie mag getrokken worden, dat 400 gram het juiste verbruik is. Dat is dus 79 gram meer per hoofd der bevolking, dan 100 jaar geleden de consumptie is geweest.
Op dit verschijnsel zal ook de, sinds de afschaffing van de accijnzen op gemaal, belangrijke daling van de broodprijzen invloed hebben uitgeoefend.