DE VERLICHTING.
in navolging van de stad Bremen, in de politieverordening bijzondere bepalingen op te nemen ter bescherming van de burgerij.
Een rapport van ter zake kundigen kwam echter spoedig de beangstigde gemoederen kalmeeren: vrees „voor zelfontbranding van de steenolie” behoefde, wanneer deze gezuiverd was, niet te bestaan.
In fabrieken, werkplaatsen en kantoren, alsmede in de woningen van het gegoede deel der burgerij, had gasverlichting al spoedig burgerrecht gekregen. Bij het andere deel der burgerij kwam de petroleum, zoolang het gas duur bleef, met veel succes het terrein betwisten. De petroleum had dit voor, dat zij op uren van den dag, waarin de kunstverlichting het onontbeerlijkst was, de bewoners niet in den steek liet. Van het gas kon dat niet gezegd worden. Als de nachten langer werden en op donkere namiddagen, werd de gastoevoer zóó gering, dat de ergste rantsoen-neeringsperiode uit den oorlogstijd daarbij nog gunstig afsteekt. Amstel’s burgerij begon daartegen luide te protesteeren. Dat zij, en hoe zij dit kan, mag verondersteld worden bekend te zijn. Doch het dient erkend te worden: zij had er ditmaal alle reden toe. Door het particulier bedrijf werd zij zóó gedupeerd en geringeloord, als de