Na zes maanden dienst: volle maand verlof, met vol loon. De Kapitein hetzelfde voedsel als de bemanning; alleen hooger salaris. Was dat wel socialistisch? De blonde blanke matroos met de lichtblauwe oogen die ontving, had hartelijk gelachen. Socialistisch, nee. Men had in Rusland geen socialisme, men had overgangstijd. Partijgenooten—Kapiteins ontvingen hetzelfde loon als de matrozen. De anderen onmisbaar voor den dienst, alleen wat hooger loon: onder de nieuwe klasse nog onvoldoende technische leiders-krachten. Meeste Hollandsche jongens eischten voorloopig niet meer, vanuit hun bekneldheid. Enkelen hadden wat critiek: gevaar voor hoog-kapitalistische ordening. Pas nieuwe veranderingen zouden zuiver socialistische gemeenschap uitzetten. Hartelijkheid, keuken en voorbeeld van de scheepsverhoudingen werkten na: gepijnigd buigen onder den tegenstand van de politie-macht. Op de hoeken, waar afgescheidenen wilden doordringen, steeds woeste aanvallen, charges. Vluchten. Achtervolging. Schreeuwen tegen de muren. Handen die naar de hoofden grepen bij de vreeselijke slagen van twee, drie kanten tegelijk, onder het woedend vloeken en schelden der agenten. Sommigen stortten neer, moesten later vervoerd. Twintig waren er dien ochtend al naar de politie-bureau’s gesleept. Het dunne publiek, op grooten afstand. Beleefde het gevecht grootendeels als sensatie-genot: Kijk ’s! Rang! Daar krijgt er weer eentje z’n portie. Hoe-oe! Godver!” Op eens dan: ,,’t Is toch bar,