deran blootstelt voor de baantjes van z’n voorgangers, en dan op z’n verdommenis krijgt voor straf! Hij naar het ziekenhuis, en dan die Bram ’s avonds druk bij een fijne meid bezig, dat moet je wete te geniete. Zoo’n Rus die voor z’n baas sloeg en de arbeider die het voor de zijne opving. Dat ze daar alle twee zoo hun plicht staan te doen, dat was oer-komisch, dat moest je kenne waardeere in het leve. Anders was het leve zonder ju. Leve is tragi-ko-misch! Begrijpe de schijnheilige ethische gummikau-wers niet. Leve is oer-komisch, heb reuze-humoör”.
Sieuwert lachte kleintjes om die geleerdheid. Bang voor de slagen. Belust op de spanning ze te zien neersuizen in de gezichten der anderen. Van zijn vijanden, met de groote overtroevende bekken. Voor hun baantjes-gasten, ja, dat was zoo. Die was goed. Reuze-mannetje met z’n mond, diè. Reu-ze-kop. Een gijn-jas hoor. Je speldt ’m niks op de mouw. Geloof maar, hij was goed gaar. Ook beu van die sociale rot-zooi. Och wat: dat zag je nou toch steeds. Al wie een beetje weet van de wereld heb, die fluimt er toch op, op die gekken! Het geld regeert de wereld, en dat was best. Een fijne bom voor hèm maar, en hou de rest asjeblieft voor je. Een ieder zoekt zijn eigen voordeel: de een een mooi Tweede Kamer-baantje, en de ander een goeie Lunchroom verdomme. Een slag, verdomme, nou! As de gelegenheid zich maar voordeed..., een goeie snaai gaat per slot desnoods ook wel, as je ’t maar werkelijk goed aanlegt.