„Kleinigheid! Doe jij dat maar ’s”.
„Ikke? Wist ik toch wel, dat je tot geen daad in staat was, man?”
Hij spotlachte. „Die verkoopt zijn zaak....” Hard van leugenachtigheid, Leida:
„As ik je toch zeg: koop jij de zaak, dan is dat toch zeker duidelijk, niet?” Zij speelde met haar halskettinkje. „Maar ik weet ’t toch ommers wel. A ’k wat van je vraag dat de moeite waard is, dan kijk je toch ommers of je de oorlog in moet?” „Dat moet je nèt bij ons zeggen. Of daar geen daden van je gevraagd worden.”
„Je loopt er ommers maar achteraan. Je mag dan een beste jonge wezen, maar je hebt nog nooit geen daad gedaan, en je zal ook nooit van je leven geen daad doen.”
Zij wist: zij maakte er zich mee los. En wie dan? Prins? Prins niets voor haar? Al hield hij zich goed, Prins, hij was voortdurend om haar. Met de uitstraling van zijn greep. En de overmanning. En de veiligheid van het kot. In haar rug, in haar hals, zijn blikken den heelen dag. Vlakbij haar. Geen toespeling. Maar die dreiging, waaronder zij innerlijk trilt, vol vrees. Vol zekerheid dat zij zich iö die smakelijke, stinkende gemeenheid zou overgeven. Om een eind te maken aan dit gevecht.
Met zijn hooge stem, Sieuwert, verslagen: „Nou! dat kan wel____”
Hij zweeg. Bij den aanval op de I.R.H. had hij veilig buiten staan praten met Van Buren. En met