Stille zelfstreeling daarboven: reëel idealisme. Held die zich inzet. Voor het zijne. Voor zijn vleesch en bloed geworden levensleer: de oude beschaving. Zijn levens-voorwaarde.
Om een tafeltje bij het stalletje van Neel de Jongh stond de helft van de bezoekers gedrongen. Kinderen drongen hun kopjes tusschen de groote lichamen door. Nieuwsgierig, beangst, aangetrokken. Geneeskundige Dienst was opgebeld. Wezenloos en wit de kleine Lena, op het tafeltje. De moeder, met haar glazige, gevoelige oogen, ontzenuwd. Hand naar haar borst en weer terug. Naar haar borst, en weer terug: „O! O!”
Louw, vierkant ernaast, over het kind heen-blikkend. Strak, verbeten, tot het kind werd weggehaald. Had zoolang Wim Draaier staan bedwingen, dat hij pas na tien minuten van het ongeluk wist. Haar borstkas was ingedrukt. Het deed hem zeer, ook toen hij hoorde dat het niet doodelijk was. Je hebt ze. Wil je ze toch ook houen. Had ze niet gewild. Geen kinderen voor het kapitalisme. Voor de fabrieken. Voor de werkeloosheid. Voor de oorlog. Niet voor degene die der wat van snapt. En die vechten moet. Op zoo’n oogenblik weet je ’t: meer hebben, meer kunnen verliezen. Verder is niks uit te maken. As je ze niet had, zou je der harder om vechten? Je bent er vol mensch mee. En voor hun is het weer een