rot-strop, om der te wezen, nou, als kind. Neel had het gewild, dat stond vast: hij had het niet gewild. Maar spijt hebben dat kan je der godsonmogelijk van. Fijne meid. Net strakkies met ’r staan smoezen: een praatjes van lik-me-vessie. Effen gedacht hoe ze thuis naar bed zou gaan: klap tegen haar nachtpon-gat: vooruit, derin jij!” Ze keert zich om en lacht. Best mee opschieten. Nog mooi dat het niet levensgevaarlijk is, al vertrouwt-ie het niet. Vullis. En hier bleef het niet bij. Persoonlijk sta je in niks beschermd: aan alle kanten voor geweld en ongeluk bloot. Steeds meer. Als alles zoo doorgaat: eenmaal wordt het hard tegen hard, en het is uit met de laatste vrijheid. Italië, Bulgarije, Polen, Joego-Slavië, Amerika, China. Doodvonnissen, martelingen. Gevangenissen haast nog erger als dood. In Duitschland: verscherpte toestand van hier. „Na gevecht tusschen nationaal-socialisten en communisten, één communist gedood, bij achtervolging door de politie.” Oude en nieuwe krachten om de heerschappij op aarde, van twee Willen. Je moet bereid zijn of niet; je bent geen held: wie a zegt, zegt vanzelf b; je bent zoover eer je het op een goudschaaltje hebt afgewogen. En als het zoover moet komen: bè je toch een man geweest die volle maat is gebleven. De rest is z’n leven lang altijd dood.
Stil was het, om de „0”-roepende moeder. Tot de ziekendragers kwamen. Verslagenheid sloeg toen op in woede. Een spreker besprong het tooncel.