schreeuw er boven uit, waanzinnig; als een fabriekssirene: „Rood Fro-öont!” Andere riepen: „De kinderen!” Er was geen tijd voor berging. Gummiknuppels uit de binnenzakken der Gardisten. Suizende slagen, onder het wijken, op de arbeiders die hen aangrepen. Stompen, harde klappen op de hoofden, in de gezichten terug. In enkele minuten: een wielende troep boksende lichamen en ledematen, wijkend, achtervolgend, keerend tot dekkenden tegenaanval. Blauwgeslagen oog-leden, builen, bloed-schrammen. Een man over een omvallend tafeltje weggesleept: schoppen, zwijgend slachtoffer met zijn nederlaag; een ploertendooder schiet toe tus-schen halzen door, treft fel pijnigend oor en hals van wegsleeper. Bloed. Gierende vloeken. Man met knuppel en al door vechtenden heen bonzend tegen de uitgangsdeur op. Krabbelt omhoog, half versuft; trappen van tien laarzen doen hem vluchten. Nog knuppelen de laatste overvallers met het gummi rond. Tusschen de worsteling, het stampen van de vechtende voeten, een hooge, dunne noodkreet. Uit alle hoeken naar het angstwekkende punt toeschieten en dringen. „Een kind? O, Jezis, een kind! Der tusschen gekomme? Derbij dan! Slaat ze dan ook dood, die vuile mieters! Maak pap van ze! Godverdomme! Maak ze af!”
Wim Draaier stond tegen een muur van menschen te worstelen: hij kon niet door. Zijn aderen zwollen op zijn slapen, grauw van woede, onder zijn wilde hooge blonde haar. Louw de Jongh stond