De schrijver, zwarte jonge uit het boerenland, lachte rond, zijn tanden bloot. Verrukt dat hij het rythme gevonden had, en met instudeeren door de twaalf roepers overgebracht op de zaal. Liep kinderlijk rond naar de kennissen: hoe vond je ’t? Was ’t niet goed? Goed hè? Precies vijf minuten. Ze worden goed hè?” Open lach. Nog onbedorven van oprechte eerzucht.
Buiten, een eind in de straat, een eind uit het gezicht van de R.F.B.-wachters, Sieuwert en Van Buren. In de zaal, een groote stellage met propa-ganda-teekeningen en geschriften, die zwenkt. Kraakt, omver-helt. De omstanders, beduusd, begrepen niet. Roodfronters liepen toe, zochten een oogenblik. Plotseling werd de leider herkend: jonge, keurig gekleede man, zwart reepje snor midden bovenlip. Naar affiches op de wanden grijpen tegelijkertijd andere handen. Sleuren ze neer. „Leve Oranje en het Gardisme!” Tony Ariens riep het dof omhoog. Gesmoorde hartstocht. Zoete overgave in de hereeniging met de oude levensvormen, hier als tegenstelling opgesmeten. Hij had den aanval te voorzichtig, te weinig uitdagend gevonden. Honderden lichamen in de zaal schuiven in terugwerkende beweging. Wijken, schieten dooreen. Stoo-ten weer terug. Beletten elkander den aanval. Groote vouwen in de menigte, buiten den kern vlakbij de trefplaats. Buiten het slag-centrum, waar gevochten wordt, brullen de stemmen der ongeduldigen: „Deruit! Sla derop!” Kreten van vrouwen. Eén lange